Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven
Uw zoekacties: Archiefinventaris Broeders van de Christelijke Scholen
xAR-Z100 Archiefinventaris Zusters Penitenten
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

AR-Z100 Archiefinventaris Zusters Penitenten
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
I Geschiedenis van de archiefvormer
AR-Z100 Archiefinventaris Zusters Penitenten
Inleiding
I Geschiedenis van de archiefvormer
Het klooster te Haren werd gesticht in 1501. Een echtpaar Talhout had besloten om zijn huis na overlijden de bestemming van klooster te geven. Hun kinderen brachten deze bepaling ten uitvoer. Twee dochters, die reeds als begijnen in Den Bosch leefden, betrokken het klooster samen met enkele andere vrouwen. De bisschop gaf hen toestemming voor de oprichting van een zusterklooster van de Orde van de Derde Regel van Sint Franciscus. De zusters leidden een eenvoudig leven, gericht op inkeer en beschouwing. Met het verrichten van handwerk zorgden ze voor inkomsten. Hun levenswijze kende verschillende vormen van boetedoening, die met een Latijns woord 'penitenties' werden genoemd: dagelijks gewetensonderzoek, het schuldkapittel (het publiekelijk belijden van je fouten) en vastendagen. Zo kwam de naam 'Zusters Penitenten' tot stand. In latere tijden voegden de zusters aan het wapen van de orde de spreuk toe 'In blijde boetvaardigheid'.
Aanvankelijk ging de onrust van de reformatie aan het klooster voorbij, maar rond 1580 kreeg het toch te maken met de gevechten van de Tachtigjarige Oorlog. Soldaten namen het klooster in en de zusters vluchtten naar Grave. Dankzij de steun van de graven van Megen konden zij in 1642 terugkeren naar hun vestiging in Haren, die helemaal moest worden hersteld. Daarna braken er betere tijden aan. In 1671 werd het huis vergroot en in 1707 bouwden de zusters een nieuwe refter en kerk. In 1732 kreeg het klooster nieuwe statuten, waarin de activiteiten van de zusters werden geregeld evenals de functies in het klooster. De nadruk lag op het stilzwijgen, op dagelijkse meditatie, geestelijke lezing en gewetensonderzoek, op arbeid en boetedoening. Hoewel de statuten beperkingen bevatten ten aanzien van bezoek, correspondentie en uitgaan, werd het klooster geen slotklooster in kerkrechtelijke zin.
Begin 19e eeuw kregen de zusters te maken met de gevolgen van de Franse tijd. Napoleon vaardigde in 1812 een decreet uit tot opheffing van alle kloosters in Brabant. In augustus werden de zusters hun klooster uitgezet. Maar toen Napoleon in 1814 werd verslagen, vroegen zij meteen de sleutels op van hun kloostergebouwen en keerden naar Haren terug. Omdat kloosters geen nieuwe leden aan mochten nemen, dreigde gemeenschap uit te sterven. In 1827 besloten de twaalf overgebleven zusters om 'kostjuffrouwen' aan te nemen. Een aantal van deze juffrouwen wilde eigenlijk het leven van kloosterling gaan leiden, maar moest dat voorlopig doen in burgerkleding. Toen koning Willem II in 1840 toestemming gaf voor uitbreiding, legden kort daarna zeven nieuwelingen hun kloostergeloftes af.
Er begon een nieuwe tijd van bloei. In 1845 werd ten langen leste toch officieel 'het slot' ingevoerd, met strenge beperkingen ten aanzien van contacten met de buitenwereld. De zusters mochten de ruimtes die tot het slot behoorden niet verlaten zonder toestemming van de overste, noch mochten derden hier binnengaan. De slotregels beklemtoonden het beschouwende leven van de zusters. Toen echter de rector van het klooster, de eerwaarde heer Van de Sandt, werd benoemd tot pastoor in het nabij gelegen plaatsje Reek, vroeg hij aan de zusters om daar een bewaarschool (kleuterschool) te starten. Bisschop Zwijsen gaf in 1857 zijn toestemming en er vertrokken vijf zusters van Haren naar Reek.
Met de stichting van Reek kwam er in het leven van de Zusters Penitenten een nieuwe element binnen: naast boerderij en handenarbeid gingen zij zich wijden aan onderwijs om in hun levensonderhoud te voorzien, ook in Haren. De stichting in Reek was de eerste twintig jaar nauwelijks levensvatbaar en kampte met grote armoede. Toen de kerkelijke overheden overwogen om het klooster op te heffen, schoot de rijke familie Smits (wijnhandelaren en orgelbouwers) uit Reek financieel te hulp. Kort daarvoor was een lid van deze familie, Henricus Smits, aangesteld tot rector van de communiteit. Al met al duurde het tot 1902 voordat in Reek het slot werd ingevoerd. Het klooster in Reek werd 'Nazareth' genoemd. Het klooster van Haren werd toen 'moederhuis', met Reek als (het enige) 'succursaalhuis'.
Rond 1900 werden opnieuw de statuten gewijzigd. Er werd een onderscheid ingevoerd tussen koorzusters en lekenzusters. De eersten dienden zich volledig te wijden aan het beschouwende leven. Voor de tweede groep behoorde ook de opvoeding van de jeugd tot het takenpakket. Rond het midden van de 20e eeuw kwam aan deze tweedeling weer een einde. De overheid vereiste voortaan van iedereen die in het onderwijs werkzaam was een vakdiploma en ook het bijwonen van vergaderingen. Dit deed teveel afbreuk aan het primaire levensdoel van de zusters: een leven leiden van gebed een eenvoud in de geest van het Evangelie. Zij stopten daarom met hun onderwijstaken.
De zusters begonnen daarna met het vervaardigen van paramenten (liturgische kleding). Tegelijkertijd groeide de behoefte aan een nieuwe en eigen vorm van apostolaat. In samenspraak met de kerkelijke overheid kregen de Zusters Penitenten als bijzonder aandachtspunt de eenheid onder de christenen toegewezen. Op 15 mei 1948 werd deze levensopdracht namens de bisschop aan de zusters toevertrouwd. Hun naam veranderde in Zusters Penitenten van de Eenheid. Door persoonlijk en gezamenlijk gebed en ook in een jaarlijkse viering volgens de Byzantijnse ritus drukten zij hun streven uit naar hereniging van de oosterse en westerse christenheid. Met hulp van buiten werden de gezangen van de Byzantijnse ritus door de zusters zelf gezongen.
In deze jaren waren er zoveel zusters in de kloosters, dat zij besloten tot een nieuwe stichting in het dorp Lithoijen, nabij Oss. In november 1949 werd daar het klooster Jeruzalem geopend. Omdat snel daarna het aantal intredingen afnam, werd de dochterstichting in 1960 weer opgeheven. De zusters gingen terug naar Haren en Reek.
Rond 1960, een tijd van grote veranderingen binnen het maatschappelijk en kerkelijk leven, groeide er een verschil van inzicht tussen de zusters van deze kloosterorde. Een aantal van hen verlangde naar een sterk beschouwend kloosterleven, met de daarbij behorende afzondering van de samenleving. Een andere groep zusters verlangde naar een vorm van kloosterleven met meer dienstverlening aan de omringende maatschappij. Uiteindelijk kregen de kloosters van Haren en Reek in 1961 beide het recht om te kiezen voor een zelfstandig klooster, met eigen rechtspersoonlijkheid, pauselijk slot en noviciaat. Iedere zuster had het recht om te kiezen voor Haren of Reek, bij geheime stemming. De uitkomst was dat er 25 zusters kozen voor Reek en 19 voor Haren. In Haren vestigde zich de meer contemplatief georiënteerde groep, in de Reek de meer actieve.
Enkele jaren later vonden opnieuw grote wijzigingen plaats. De gemeenschap van Reek verhuisde in 1965 naar Huissen: de te kleine en onvoldoende behuizing in Reek dwong tot het verlaten van deze plaats. De zusters van het klooster in Haaren vertrokken in 1965 naar Wassenaar. Toen in 1956 het bisdom Rotterdam werd opgericht, zocht de nieuwe bisschop Martinus Jansen naar een invulling voor het contemplatieve leven in zijn diocees. De zusters van Haren gingen op zijn uitnodiging in. Zij zagen hierin voor hun gemeenschap nieuwe mogelijkheden. Ze zochten naar een geschikt huis in het bisdom Rotterdam, hetgeen uiteindelijk Wassenaar werd. In de nieuwe woonplaatsen zetten de gemeenschappen hun apostolaat van de 'eenheid onder de christenen' voort. Ze richtten zich nu ook op de oecumene: de hereniging van protestantse en katholieke christenen. Naast hun traditionele gebedsleven gingen de zusters nieuwe wegen: ze namen deel aan pastorale activiteiten, hielden oecumenische vieringen en organiseerden oecumenische gespreksgroepen.
De wijzigingen in kerk en samenleving leidden er echter toe dat er nog nauwelijks nieuwe kandidaten toetraden. De kleiner wordende gemeenschappen zagen zich in de jaren tachtig genoodzaakt om uit te zien naar een verantwoorde oudedagsvoorziening. De zusters in Huissen verhuisden in 1989 naar het Kloosterverzorgingshuis Sint Anna in Boxmeer. In 1991 volgde de communiteit uit Wassenaar.
II Geschiedenis van het archief
III Voorwaarden voor gebruik van het archief
Inventaris
Haren
Reek
Kenmerken
Datering:
1500-2010
Archiefvormer:
Zusters Penitenten
Omvang in meters:
12
Auteur:
Dols, Chr. (Reek); Winkel, Phill te (Haren)
Openbaarheid:
Inzage na toestemming van de eigenaar
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS