Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven
Uw zoekacties: Voorwerpencollectie
beacon
60 zoekresultaten
gesorteerd op:
 
 
weergave:
Pagina: 15
 
 
Erfgoedstuk
Voorwerp
VW-Z140-007 Kap met sluier
Toelichting:
Onder de kap droegen de zusters een mutsje ter bescherming tegen de kou en ter bescherming van de sluier tegen huidvet. Tot 1956 was het normaal de haren af te scheren. Ter bevestiging van de kap op het hoofd werd bovenop het mutsje allereerst de collaar, een strook witte (gesteven) stof die op de borst neerhangt, bevestigd. De smalle stroken van de collaar worden bovenop het hoofd aan elkaar vastgespeld en de brede stroken op de achterzijde van het hoofd. Vervolgens wordt de, uit twee stroken gesteven stof bestaande, hoofdband in vorm gebracht door twee spelden en met behulp van een apart te bevestigen elastiek op het hoofd vastgezet. Volgens de statuten van de congregatie uit 1925 doet het bandje denken aan "de kroon die de Heiland zijn trouwen bruid heeft bereid". Als laatste volgt de 'streep' met riet. De 'streep' is een witte gesteven net niet dubbelgevouwen strook stof met aan de dubbelgevouwen lange zijde een afgestikte tunnel waardoor een rietje kon worden geschoven. Deze rietjes van rotan werden op lengte aangeleverd en moesten door de zusters zelf in model worden gebracht. Dit gebeurde door het rotan vochtig te maken, in model te brengen en vervolgens op die wijze te laten drogen. Aan de buitenzijde van de 'streep' wordt de zwarte sluier bevestigd, met behulp van spelden met een zwarte kop. De 'streep' met sluier wordt met behulp van twee aan de binnenzijde van de 'streep' gestoken spelden aan de haakjes die op het collaar zitten bevestigd. De 'streep' wordt aan de bovenzijde nog een keer vastgespeld aan de hoofdband. De constituties duiden de sluier als teken van bescheidenheid en symbool van de geestelijke verloving met Christus.
Datering:
1876-1956
Deelcollectie:
Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid (Tegelen)
Materiaal/techniek:
Wit gebreid stoffen mutsje (1), wit gesteven katoen (2, 3, 4), rotan (4), zwarte stofmix (5)
Lengte in cm:
24 (1); 51 (2); 30 (3); 79,5 (4); 118,5 (5)
Breedte in cm:
42 (2); 15,5 (3); 14 (4); 118,5 (5)
Opmerkingen:
Extra riet (bijna doormidden) aanwezig; spelden in hoofdband en 'streep' aanwezig. Voor meer informatie over de kleding van 1842 tot 1956 zie archief van de zusters onder inventarisnummer 8026
Documentatie:
Kopieën van verschillende lijstjes met kledingstukken en andere benodigdheden die door de kandidaat-zusters meegenomen moesten worden naar het klooster en aanwijzingen voor het wasgebruik. Aanwezig in documentatiemap
Bestanden Bestanden
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Voorwerp
VW-Z140-006 Habijt
Toelichting:
Lang habijt met geplooide rok (8 plooien aan de voorzijde en 9 aan de achterzijde) en borstpand met 12 plooien. Op de schouders knopen voor de bevestiging van werkmouwen. De los in te zetten binnenmouwen zijn van katoen. In het lijfje van het habijt zat een voering van katoen (ontbreekt) dat net als de mouwen eruit gehaald kon worden om te wassen. Het habijt zelf werd niet zo vaak gewassen. Om het habijt tegen vocht, huidvet en wrijving te beschermen gebruikte men een halsdoekje: een kraagje met daaraan een strook stof die onder de hals van het habijt geplaatst werd. Op het habijt ter hoogte van de taille bevestigde men een gordel met aan de voorzijde twee neerhangende brede stroken. In de binnenzijde van de gordel zijn twee haken genaaid om de rozenkrans aan op te hangen. Aan de voorzijde van het habijt is achter een plooi een opening weggewerkt. De opening diende om bij de zak te kunnen komen die onder het habijt gedragen werd en waarin de zuster allerlei voorwerpen kon opbergen. Het witte habijt werd gebruikt in de wijkverpleging en de keuken. Zusters dienden onder het witte habijt een eigen onderjurk te dragen die ze van thuis uit mee hadden genomen. Bij de inkleding als novice kreeg een zuster een eigen set kleding: een habijt voor de zondag en twee habijten voor de weekdagen. Het habijt werd zoveel mogelijk uit rechte stukken stof gemaakt, zoals voor de rok van het habijt, het voorstuk, de mouwen en de sluier. Als er slijtage ontstond op bijvoorbeeld het uiteinde van de mouwen werden de mouwen uitgenomen, omgedraaid en weer ingezet. Een habijt kon zo 10 tot 15 jaar mee. De statuten van de congregatie uit 1925 zeggen over het habijt: "Het religieuze kleed is een teken van geestelijke stand, een kleed van nederigheid en boete. Het is van zwarte kleur zo mogelijk uit cheviot vervaardigd. De rok mag niet te kort zijn, maar ook de grond niet raken." En over de gordel: "De gordel vermaant tot versterving en is een teken van maagdelijke reinheid."
Achtergronden:
Na het postulaat, dat één jaar duurt, worden de tijdelijke geloften afgelegd en wordt men voor twee jaar novice. Als postulant krijgen de kandidaat-zusters een postulantenjurk, novicen dragen het habijt van de congregatie met daarop een witte sluier in plaats van een zwarte, zoals de geprofeste zusters dragen. Na aanmelding bij de congregatie krijgt de kandidaat-zuster een nummer toegekend dat in al haar kleding moet komen te staan. Novicen kregen een tijdelijk nummer met daarvoor een 'N'
Datering:
1876-1956
Deelcollectie:
Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid (Tegelen)
Materiaal/techniek:
Wol, ijzeren en plastic (druk)knoopjes en bevestigingshaakjes
Lengte in cm:
136 (1); 43 (2); 93 (3); 119 (4)
Breedte in cm:
45-55 (1); 12 (2); 44-55 (4)
Opmerkingen:
Voor meer informatie over de kleding van 1842 tot 1956 zie archief van de zusters onder inventarisnummer 8026
Documentatie:
Kopieën van verschillende lijstjes met kledingstukken en andere benodigdheden die door de kandidaat-zusters meegenomen moesten worden naar het klooster en aanwijzingen voor het wasgebruik. Aanwezig in documentatiemap
Bestanden Bestanden
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Voorwerp
VW-Z140-004 Hutkoffer
Toelichting:
Grote hutkoffer op voetjes en voorzien van decoratief snijwerk aan alle zijden en aan de lange zijden van de deksel. Aan de binnenzijde is links aan de bovenrand van de korte kant een langwerpig kistje met scharnierende deksel getimmerd. Zeer waarschijnlijk om kleine voorwerpen in op te bergen. Bij intrede in de congregatie moest de postulante een uitzet meenemen
Datering:
1800-1850
Deelcollectie:
Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid (Tegelen)
Materiaal/techniek:
Eikenhout met smeedijzeren handgrepen aan beide korte zijden, smeedijzeren scharnieren en banden aan de binnenzijde van de deksel en een ijzeren slot
Lengte in cm:
123
Breedte in cm:
52
Hoogte in cm:
65
Opmerkingen:
Hutkoffer vertoont gelijkenissen met de andere hutkoffer uit de collectie van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid: VW-Z140-005
Objecttrefwoorden:
Bestanden Bestanden
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Voorwerp
VW-Z140-002 Beeldje van zuster
Toelichting:
Beeldjes van twee staande zusters die het habijt van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid (Tegelen) dragen. Een zuster (1) heeft de handen langs de zij hangen waardoor de voorzijde van het habijt met daarop de gordel met daaraan twee stroken stof en de rozenkrans zichtbaar is. De andere zuster (2) heeft de handen voor de buik geslagen. Het habijt waarmee beide zusters zijn uitgebeeld werd in de periode 1876-1956 door de zusters gedragen. De beeldjes zijn uitgereikt aan alle bestuursleden van het kloosterbejaardenoord Steyl bij de sluiting ervan in 1994. Ze zijn gemaakt door een pottenbakker uit Tegelen. Hij gebruikte als voorbeeld oude foto's van de congregatie
Datering:
1994
Deelcollectie:
Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid (Tegelen)
Materiaal/techniek:
Gietsel van wit aardewerk bewerkt met zwarte verf en deels geglazuurd
Lengte in cm:
22.5 (1); 21,5 (2)
Breedte in cm:
9 (1); 8 (2)
Diepte in cm:
7 (1); 8 (2)
Objecttrefwoorden:
Bestanden Bestanden
 
 
 
Pagina: 15