Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven
Uw zoekacties: Archiefinventaris Broeders van de Christelijke Scholen
xAR-B003 Archiefinventaris Broeders van de Christelijke Scholen
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

AR-B003 Archiefinventaris Broeders van de Christelijke Scholen
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
I Geschiedenis van de archiefvormer
sluiten
AR-B003 Archiefinventaris Broeders van de Christelijke Scholen
Inleiding
I Geschiedenis van de archiefvormer
In 1680 stichtte priester Jean-Baptiste de La Salle het Instituut van de Broeders van de Christelijke Scholen in Frankrijk: Fratres Scholarum Christianarum (fsc). Het was de eerste congregatie die uitsluitend bestond uit mannelijke leken. Priesterlijke verplichtingen zouden volgens de stichter ten koste gaan van de gewenste hoofdtaak: het onderwijzen. Door het verzorgen van gratis onderwijs zette deze gemeenschap zich in voor de volksjeugd. Een christelijke en menselijke opvoeding van jongeren was en is nog steeds de leidraad voor het handelen. De La Salle ontwikkelde methodische en pedagogische inzichten die gemeengoed zijn geworden. Te denken valt hierbij aan onderwijs in de volkstaal, een klassikale aanpak en aandacht voor de persoon.
De La Salle overleed in 1719. Pas na zijn overlijden kreeg de congregatie haar koninklijke en pauselijke goedkeuring (1724 en 1725). De definitieve regel werd in 1726 naar buiten gebracht. Het instituut heeft in de negentiende eeuw model gestaan voor talrijke nieuwe broedercongregaties. In ruim twee eeuwen tijd groeide het instituut uit tot de grootste broedercongregatie ter wereld, ook wel bekend onder de naam Broeders van De La Salle. Omstreeks 1900, het jaar waarin De La Salle door Paus Leo XIII heilig werd verklaard, waren er al meer dan tweeduizend scholen door de broeders opgericht.
De gemeenschap heeft ook tegenslagen gekend. De moeizame verhouding tussen kerk en staat in West-Europese landen belemmerde in de achttiende en negentiende eeuw geregeld het werk en het voortbestaan van plaatselijke communiteiten. De broeders hebben desondanks stand gehouden en anno 2006 telde de congregatie nog circa 5.600 leden, verspreid over tachtig landen.
In 1908 kwamen de eerste broeders om politieke redenen naar Nederland. Er waren toen al verscheidene broedercongregaties actief in het katholieke onderwijs. De kerkelijke en politiek-maatschappelijke situatie in Nederland maakte het voor de broeders onmogelijk om een eigen onderwijsnetwerk te bouwen. Doordat zij niet de vereiste opleiding hadden en het werkterrein in Nederland reeds sterk bezet was, waren zij genoodzaakt om andere wegen te zoeken voor het Lassaliaans opvoedings- en onderwijswerk. Hierdoor wijkt hun geschiedenis af van die van de medebroeders in andere landen.
De broeders zijn op verzoek het Internaat Huize Groenenstein te Den Haag gaan leiden. Zij zagen dit als een kans bij uitstek om in Nederland voet aan de grond te krijgen. Huize Groenenstein begon als weeshuis maar werd al snel een voogdij-instelling met veelal moeilijk opvoedbare kinderen. Afgezien van het vormen en opleiden van toekomstige broeders in Baarle-Nassau (juvenaat en scholasticaat) waren de werkzaamheden van de broeders de eerste jaren beperkt tot dit opvoedingswerk. Op grond van hun ervaring kregen de broeders in 1945 de leiding over het ‘opvoedings- en ambachtsgesticht’ Huize St. Jozef in Roermond. Ze hebben dit huis beheerd tot 1978. In 1959 volgde het schoolinternaat Stevensbeek, dat tot 1985 onder de verantwoordelijkheid van de broeders viel.
In Nederland werden er tussen 1925 en 1950 communiteiten gesticht in Heemstede, Reek, Bennebroek, Heesch, Achthuizen en Mierlo-Hout. Sinds de jaren 1920 beschikte de congregatie over voldoende gediplomeerde onderwijzers. Omdat de broeders zelf geen eigen basisscholen hadden maar aangewezen waren op parochiescholen, bestond er weinig ruimte om de Lassaliaanse aanpak te profileren. In dorpsgemeenschappen genoten de broederonderwijzers bekendheid om hun organisatievermogen wat buitenschoolse activiteiten betreft.
Behalve lager onderwijs hebben de broeders onderwijs verzorgd op de kweekschool in Baarle-Nassau (later Heemstede), de ULO (Heemstede, Heesch) en de MULO/MAVO (Baarle-Nassau).Typerend voor de broeders is hun rotsvast geloof in de leerlingen en pupillen. Centraal staan de menselijke waardigheid, eigenheid en specifieke mogelijkheden van de jongeren.
Door bezuinigingen trad er begin jaren 1930 een grote werkloosheid op onder leraren in het lager onderwijs. Tegen de achtergrond van deze dreiging werden broeders afgestaan aan de missie van andere provincies in het Midden-Oosten (1934) en voor een eigen missie op Aruba (1937). Naast basisonderwijs voor jongens hebben zij in Aruba scholen voor voortgezet onderwijs opgericht.
In de jaren 1950 vestigden de Nederlandse broeders een nieuwe missie in Kameroen. Ze waren gevraagd zorg te dragen voor kweekschoolonderwijs, maar al snel bleek dat er veeleer behoefte was aan technisch onderwijs en landbouwontwikkeling. In de jaren 1960 en 1970 is dat gerealiseerd. Hier kregen de broeders de volle ruimte om de Lassaliaanse aanpak te hanteren, met succes. Door het slagen van de missie en de terugloop van het aantal Nederlandse broedermissionarissen is het werk in de loop van de jaren overgedragen aan de eigen bevolking.
Tot 1946 maakte de Nederlandse Afdeling deel uit van de Belgische Provincie. Daarna werd Nederland een eigen provincie. Het Nederlands provincialaat was achtereenvolgens gevestigd in Baarle-Nassau, Haarlem, Boxmeer, Voorhout en wederom Haarlem. Sinds 2001 viel de Nederlandse provincie bestuurlijk gezien als gelijkwaardige sector onder de Regio Centraal Europa. Sinds september 2006 is de broedergemeenschap in Nederland geen zelfstandige provincie meer, maar een sector van de Provincie Centraal Europa. Het generalaat bevindt zich te Rome (Italië).
Meer informatie over de geschiedenis van de Nederlandse provincie kan men vinden in het boek "Met geloof en ijver" (2006) van historica José Eijt.
II Geschiedenis van het archief
III Bijzonderheden t.a.v. het archief
IV Voorwaarden voor het gebruik van het archief
Inventaris
1 Stichting en ontwikkeling
2 Bestuur
3 Spiritualiteit en liturgie
4 Betrekkingen
5 Huizen en werkzaamheden
6 Leden en geaffilieerden
8 Publicaties en documentatie
9 Audiovisueel materiaal
Kenmerken
Datering:
1908-2006
Oudste en jongste stuk:
1868/2014
Archiefvormer:
Broeders vd Christelijke Scholen
Omvang in meters:
16 meter archief, 5 meter tijdschriften in depot, 1 meter tijdschriften in studiezaal
Auteur:
Bressers, br. Vincentius; Hoek, br. Sjef van; Huijgevoort, A. van; Dooren, K. van; Berg, C. van de; Dols, Chr.
Openbaarheid:
Raadpleegbaar na toestemming van de eigenaar
Opmerkingen:
Het archief is niet afgesloten
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS