Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven
Uw zoekacties: Archiefinventaris Redemptoristinnen
xAR-Z101 Archiefinventaris Redemptoristinnen
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

AR-Z101 Archiefinventaris Redemptoristinnen
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
I Geschiedenis van de archiefvormers
sluiten
AR-Z101 Archiefinventaris Redemptoristinnen
Inleiding
I Geschiedenis van de archiefvormers
De Orde van de Redemptoristinnen (Ordo Sanctissimi Redemptoris, ossr) werd gesticht in Italië in 1731 door zuster Maria Celeste Crostarosa en Alfonsus van Liguori als een orde van contemplatieve zusters. Maria Celeste Crostarosa maakte deel uit van een klooster te Scala, waar men leefde volgens de constituties van de H. Franciscus van Sales. Mystiek aangelegd, ontving zij verschillende keren openbaringen. Zo kreeg zij de opdracht een nieuw instituut te stichten dat tot doel had de wereld te herinneren aan wat Jezus Christus voor de mensen gedaan had. Ook kreeg ze een helder inzicht in wat de regel van dat instituut zou moeten bevatten. Een en ander kwam Alfonsus van Liguori ter ore. Aanvankelijk had hij bedenkingen, maar gaandeweg raakte hij overtuigd. De begeleider van het klooster, Thomas Falcoia, herzag de ontwerpregel van Maria Celeste en met de hulp van Alfonsus kwamen de constituties tot stand. De bisschop van Scala verleende toestemming en op pinksterzondag 13 mei 1731 werd in datzelfde klooster de nieuwe regel ingevoerd. Pauselijke goedkeuring van de orde werd in 1750 verkregen.
Maria Celeste kreeg overigens in 1731 een nieuwe openbaring: naast de zusters moest er ook een mannelijke tak komen, met Alfonsus als eerste overste. Alfonsus stichtte reeds het jaar daarop een congregatie van missionarissen die vanuit dezelfde spiritualiteit als de zusters zouden leven: de Congregatie van de Allerheiligste Verlosser, ofwel de redemptoristen.
Vanwege onenigheden met de bisschop werd Maria Celeste in 1733 uit het klooster te Scala verwijderd. In 1738 stichtte zij een nieuw klooster te Foggia, waar zij in 1755 stierf. Vanuit Scala werd in 1766 een klooster gesticht te St. Agatha (Italië), de plaats waar Alfonsus tot bisschop was verheven. Dat klooster werd de eerste schakel in de keten van alle andere die van Scala uitgingen.
De Orde der Redemptoristinnen is een beschouwende orde. Haar eerste doel is gestalte geven aan Jezus’ verlossende liefde (redemptor betekent verlosser). De redemptoristinnen leidden een leven van gebed en opoffering, zoals Alfonsus dat van zijn dochters verlangde om zodoende Gods zegen over henzelf en over het missiewerk van de redemptoristen af te roepen.
Het kloosterleven van de redemptoristinnen verliep volgens een vast patroon van bidden en getijden zingen en verder werken in de tuin, de bakkerij, de boerderij, de keuken, en eventuele andere taken, zoals bijvoorbeeld de was doen voor verschillende kerken in de omgeving. Dit alles in strenge clausuur. Het contact met de buitenwereld verliep via "buitenmeisjes", die als portiersters optraden en gasten ontvingen. Om de drie jaar vond de zogenaamde "ambtsverwisseling" plaats, waarbij de taken van de zusters wisselden.
Na het Tweede Vaticaanse Concilie kwam er grotere openheid en werden de strenge kloosterregels aan de tijd aangepast. De tralies verdwenen uit de kapel en uit de spreekkamer en de zusters mochten vanaf nu hun familie bezoeken.
De redemptoristinnen dragen karakteristieke kloosterkleding: een donkerrood habijt, in vroegere tijden met een hemelsblauw scapulier.
Vanuit Italië breidde de orde zich uit, eerst naar Wenen (1831). Vanuit Oostenrijk ontstonden talrijke stichtingen: in België, Nederland, Ierland, Frankrijk en Engeland. Het klooster van Wittem werd gesticht in 1848. In 1858 werd, vanuit Brugge, een klooster te Velp (bij Grave) gesticht. In 1874 ontstond het klooster te Sambeek, gesticht door Wittem. In de 20e eeuw breidde de orde zich uit over alle vijf continenten.
Het klooster te Partij/Wittem draagt de naam Mariëndaal. In 1848 moesten de redemptoristinnen uit Wenen vluchten vanwege de revolutie. Een deel van hen (Duitse en Nederlandse redemptoristinnen) vond eerst onderkomen in Keulen bij andere religieuzen. Door bemiddeling van pater Heilig, redemptorist en rector te Wittem, konden de zusters bij de Elisabethinnen te Aken terecht, alwaar ze zo goed en slecht als het ging, een eigen communiteit vormden. Eind 1848 verhuisden de zusters (9 koorzusters, 3 lekenzusters) naar Gulpen, waar een huis voor hen gehuurd was.

In 1851 was er nog altijd geen zicht op terugkeer naar Wenen. En daar het huis in Gulpen op den duur niet geschikt bleek, waren de redemptoristen begonnen een nieuw klooster in de gemeente Wittem te bouwen voor de zusters. Medio 1851 betrokken de zusters hun nieuwe klooster, genaamd Mariëndaal.
Vanuit Wittem kwamen meerdere stichtingen tot stand: in 1852 de stichting Ried te Oostenrijk, in 1874 kwam het huis te Sambeek tot stand en in 1884 vertrokken enkele zusters om een huis in Gars te Oostenrijk te stichten. In 1905 bracht de toenmalige provinciaal van de redemptoristen pater J. Meeuwissen, de eerste zusters van Mariëndaal naar Canada, waar nabij Quebec een huis gesticht werd (St. Anna de Beaupré).
In 1858 vertrokken vijf koorzusters en twee lekenzusters vanuit Brugge naar Velp om een nieuwe stichting te beginnen. De overste van Brugge was enige tijd eerder ter ore gekomen dat het landgoed van kasteel Bronkhorst te koop was. De eerste tijd werd het kasteel als klooster ingericht. Toen het aantal zusters in Velp toenam, werd uitbreiding en verbouwing noodzakelijk. Hierdoor bleef van het oorspronkelijke kasteel nagenoeg niets over.
De paters kapucijnen van het zeer nabijgelegen Emmausklooster, ook te Velp, namen de geestelijke zorg voor de zusters op zich. Het klooster was geschikt voor 45 zusters. Na de Tweede Wereldoorlog liep het aantal zusters snel terug. In 1990 zijn de laatste negen zusters naar Someren verhuisd, naar kloosterverzorgingscentrum Huize Witven.
In 1873 begonnen de paters redemptoristen in Sambeek een hospitium te bouwen, bestemd voor hun Duitse medebroeders die door de Kulturkampf van Bismarck (1871-1878) uit Duitsland verjaagd werden. Door een samenloop van omstandigheden ging de komst van de Duitsers niet door, evenmin als een plan om het huis als juvenaat in te richten. Klooster Mariëndaal in Wittem, dat uitzag naar een nieuwe stichting, nam de verdere bouw van het huis te Sambeek over. In 1874 vertrokken de eerste zusters naar Sambeek om aldaar een nieuwe communiteit te vormen. De eerste jaren waren moeilijk, door allerlei ontberingen, vooral kou. Door aankopen werd het grondbezit van het klooster uitgebreid. Aanvankelijk was de zielzorg in handen van de redemptoristen; later werd die overgenomen door de karmelieten uit het nabijgelegen Boxmeer.
Was er tijdens de Eerste Wereldoorlog behalve grote schaarste niet veel verandering in het kloosterleven, in de Tweede Wereldoorlog raakte het klooster midden in het oorlogstumult. Dit leidde in de laatste maanden van 1944 tot het besluit de communiteit te evacueren naar het zusterklooster te Velp bij Grave, waar zij tot april 1945 gastvrij onderdak vond. Na de oorlog werd het klooster moeizaam, maar met hulp van vele kanten, herbouwd en kwam het kloosterleven weer op gang.
In 1993 sloot het klooster haar deuren, De zusters verhuisden naar kloosterverzorgingshuis St. Anna van de Zusters van Julie Postel te Boxmeer. Het kloostercomplex werd overgedaan aan de Stichting Beth Hachajiem, die in Velp bij Grave het zusterklooster in eigendom had gekregen. In Sambeek vestigde zich een groep mensen, die zich in de loop der jaren heeft losgemaakt van Stichting Beth Hachajiem en als zelfstandige stichting (Het Kloosterhuis) ging werken aan de realisering van eigen doelstellingen: het handhaven van het uiterlijk aanzien van het kloostercomplex, het mogelijk maken van religieuze en culturele activiteiten in de kapel en het bieden van tijdelijk onderdak aan derden.
II Geschiedenis van het archieven
III Bijzonderheden t.a.v. het archieven
IV Voorwaarden voor gebruik van het archief
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1858-2007
Oudste en jongste stuk:
1800/2008
Archiefvormer:
Redemptoristinnen
Omvang in meters:
11½
Auteur:
Minkema, O.; Winkel, P. te
Openbaarheid:
Inzage archiefmateriaal is mogelijk tien jaar na datering van de stukken en in overleg met het erfgoedcentrum
Opmerkingen:
Het archief is afgesloten
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS