Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven
Uw zoekacties: Vestigingsplaats: Utrecht
>
Zoektermen

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

beacon
 
 
Erfgoedstuk
Vestigingsplaats
Vestigingsplaats: Utrecht
Orde of congregatie:
Alexianen (Cellebroeders) (B001)
Plaatsnaam:
Utrecht
Provincie:
Utrecht
Parochie:
Utrecht-Buurkerk
Destijds gewest:
Nedersticht
Bisdom:
Utrecht
Stichting/eerste vermelding:
1439
Opheffing/laatste vermelding:
1591
Type:
Klooster, m
Geschiedenis:
De eerste vermelding van de cellebroeders in Utrecht dateert uit 1439. Hun klooster lag aan de tegenwoordige Nobeldwarsstraat met aan de Muntstraat en waarschijnlijk ook aan de Kromme Nieuwegracht een achteruitgang. De broeders hadden ook nog enkele huizen, die eveneens met de Muntstraat verbonden waren. Tot de taak van de broeders behoorden in hoofdzaak het verplegen van zieken, het regelen van uitvaarten en het verzorgen van de graven en grafkelders. De beloning, die zij hiervoor kregen, vormde samen met de gelden, die zij voor het zingen van zielmissen in hun eigen kapel of in de Buurkerk ontvingen, hoofdzakelijk hun inkomen. Toen in 1580 door de magistraat van Utrecht de uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst verboden werd, bleven de cellebroeders, die allen tot de hervorming waren overgegaan, hun werk doen, echter nu in dienst van het stadsbestuur. Ze bleven in hun klooster wonen, waarvan het hoofdgebouw evenwel ter beschikking gesteld werd aan de Waalse wevers, die aanvankelijk in het predikherenklooster onderdak gevonden hadden en later uit het karmelietenklooster verdreven werden. In 1591 werd het convent van de cellebroeders opgeheven en vervielen hun goederen aan de stad. Toen in 1624, de vier „cameren met erf", waar de broeders nog woonden, verkocht werden, kregen zij aan de oostelijke stadsmuur bij het pestgasthuis Leeuwenbergh twee woningen toegewezen. Doordat waarschijnlijk al bij de opheffing menige broeder de gemeenschap verlaten had, waren zij nog maar gering in aantal. In 1629 wordt van nog maar vier cellebroeders gesproken
Gebruikte literatuur:
Monasticon Batavum, deel II, p. 190; R. A. Hoogland, ‘De cellebroeders’ in “Jaarboek Oud-Utrecht 1974”, p. 180/181/189/190/191; A.J.  van der Weyde, 'Bijdrage tot de geschiedenis der pest te Utrecht' in “Nederlandsch Tijdschrift Geneeskunde”, 71 (1927), helft 1, nr. 23, p. 3128
ENK Monasticon nummer:
ME-B001-020
VU Kloosterlijst nummer:
U28
Organisatietrefwoorden:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS