Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven
Uw zoekacties: Databestand kloosters in Nederland
>
Zoektermen

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

beacon
24 zoekresultaten
gesorteerd op:
 
 
weergave:
Pagina: 1
 
 
Vestigingsplaats
Vestigingsplaats: Son en Breugel
Orde of congregatie:
Alexianen (Cellebroeders) (B001)
Plaatsnaam:
Son en Breugel
Provincie:
Noord-Brabant
Stichting/eerste vermelding:
1914
Opheffing/laatste vermelding:
1958
Activiteiten:
Sanatorium voor turberculose-patiënten
Geschiedenis:
Deze vestiging werd in 1914 geopend. Son en Breugel dankt zijn oprichting aan de neutralliteit van Nederland in de Eerste Wereldoorlog. Het klooster in Boechout (bij Antwerpen) lag in de Duitse vuurlinie en werd bedreigd in de aanvallen op de steden als Lier, Merksem en Duffelt. In het klooster woonde een aantal Hollandse broeders, met familieleden in voornamelijk Brabant. Daarom besloot de Pater (Generale Overste) om een huis in Nederland te openen en daar met de psychiatrische patiënten en broeders vanuit Boechout naar toe te gaan. In de loop van 1914, 1915 keerde alle patiënten weer terug naar Boechout, maar het klooster in Son Breugel was een feit. Later werden er tuberculose-patiënten opgenomen. Toen het aantal TBC-patiënten terugliep, moest men uitkijken naar een andere invulling van het klooster. Men ving toen jongens op via de R.K. Pro Juventute. Dit liep echter fout doordat de kleine groep broeders geen enkele opleiding of ervaring had ten aanzien van het werken met verwaarloosden. Dit was de reden dat het klooster gesloten werd en de broeders naar het toenmalige moederhuis in Boechot gingen. De laatste overste van het Alexianenklooster te Son en Breughel was broeder Anselmus (Gerardus Michaël Kolmeijer, geb. Schiedam 1899), die in 1974 op het kloosterkerkhof van Boechout begraven werd. Son was de enige Nederlandse na-middeleeuwse vestiging van de Alexianen
Gebruikte literatuur:
Nolet II, 15; Archivalia in 's-Hertogenbosch, Rijksarchief in Noord-Brabant, Cellebroeders-Alexianen, 14e-20e eeuw, inv. Nr. 24; Aantekeningen, 20e eeuw, over Son, 1914-1972
ENK Monasticon nummer:
MON-B001-001
Geografische namen:
Organisatietrefwoorden:
Toon op kaart Toon op kaart
 
 
 
 
 
Kloosterorganisatie
Kloosterorganisatie: Alexianen (Cellebroeders) (B001)
Orde of congregatie:
Alexianen (Cellebroeders) (B001)
Patroonheiligen:
H. Alexius
Geschiedenis:
Op het einde van de 13 eeuw waren er groepen vrome mannen en vrouwen die zich, vooral in de stedelijke gebieden van de Nederlanden en het Rijnland bezig hielden met de opvang van lijders aan besmettelijke ziekten en krankzinnigen. Tevens begroeven zij de overledenen. De mannen werden lollarden, bogarden, cellebroeders of cellieten genoemd. De cellezusters of zwartzusters vormden de vrouwelijke tak.

Zij verenigden zich in gemeenschappen die op den duur erkend werden door paus Sixtus IV in 1472. De meeste leden waren lekenbroeders, slechts enkelen priester. Hun regel was die van de H. Augustinus. Ze waren verplicht tot gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede. Als patroon namen ze de H. Alexius. Alexius was de zoon van een Romeinse senator die celibatair wilde blijven en zich inzette voor de armen en zieken door zijn leven met hun te delen. Een stichter kent de orde niet. Kerkrechtelijk werden de Alexianen in het begin van de 18e eeuw een diocesane congregatie.

In het huidige Nederland hebben de cellebroeders in de Middeleeuwen en in de 16e eeuw totaan de Reformatie bestaan. In het huidige België was er continuïteit, onderbroken door de Franse revolutie. In de 20e eeuw hadden de broeders Alexianen de leiding over het sanatorium te Son en Breugel van 1914 tot 1958. Broeders en patiënten kwamen vanuit het klooster in Boechout (bij Antwerpen) waar een aantal Nederlandse broeders woonden (voornamelijk uit Brabant). In 1958 werd het klooster gesloten en keerden de broeders naar het toenmalige moederhuis in Boechout terug. De laatste overste van het Alexianenklooster te Son en Breugel was broeder Anselmus.

De huidige congregatie van de broeders Alexianen kent provincies in België, Duitsland, Engeland/Ierland en de Verenigde Staten. De broeders leiden algemene ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen, zorgen voor de opvang van ouderen en daklozen en doen ook missiewerk, met name in Nigeria en Ghana
Alternatieve namen:
Alexianen; Cellebroeders; Lollarden
Afkorting:
CFA
Stichtingsjaar:
14e eeuw
Vestiging Nederland:
Late Middeleeuwen; 1914
Vertrek uit Nederland:
Reformatie; 1958
Doelstelling:
Ziekenzorg
Gebruikte bronnen:
KS, 138; LThK, Bd. 1 (2e dr., 1957) k. 326-327, s.v. 'Alexianer'; Bd. 2 (1958) k. 990-991, s.v. 'Celliten'; DHGE 12 (1953) s.v. 'Cellites ou Alexiens', k. 118-122; Encyclopedie van het Katholicisme I (1955) k. 358-359; http://www.alexius.de; zie voor België Pierre-Jean Niebes, "Les frères cellites ou alexiens en Belgique: monasticon" (Brussel 2002) [KB 's-Gravenhage]; 's-Hertogenbosch, Rijksarchief Noord-Brabant, Archief Cellebroeders-Alexianen, 14e-20e eeuw, 2,12 meter; J. Kuys, Kerkelijke organisatie in het middeleeuwse bisdom Utrecht (Nijmegen 2004) 271-272 (lit.)
Organisatietrefwoorden:
Toon op kaart Toon op kaart
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Vestigingsplaats
Vestigingsplaats: Venlo
Orde of congregatie:
Alexianen (Cellebroeders) (B001)
Naam van het klooster:
Trans Cedron
Plaatsnaam:
Venlo
Provincie:
Limburg
Parochie:
Venlo
Destijds gewest:
Gelre
Bisdom:
Luik
Stichting/eerste vermelding:
1486
Opheffing/laatste vermelding:
1578
Type:
Klooster, m
Geschiedenis:
In een huis in Venlo, 'Robbenhuyss' genaamd, woonden al in 1486 een uit Maastricht afkomstige gemeenschap van cellebroeders. Zij zouden naar Venlo gekomen zijn om hier pestlijders te verplegen. In 1487 werd er Op De Weide een nieuw huis voor de broeders gebouwd, dat “Trans Cedron” (letterlijk vertaald: over de beek) werd genoemd. In 1489 nam dit convent van cellebroeders de regel van Augustinus aan en kregen toestemming voor de bouw van een eigen kapel met kerkhof. In de jaren tussen 1497 en 1500 werd dit convent door sepulcrijnen uit Sint Odiliënberg omgevormd tot een klooster van hun orde, de orde van het Heilig Graf van Jeruzalem, een geestelijke ridderorde die uit de tijd van de kruistochten. In 1578, tijdens de Staatse bezetting, verlieten de sepulcrijnen dit klooster
Gebruikte literatuur:
Monasticon Batavum, deel II, p. 196/197; F. Hermans: “Historische stedenatlas van Nederland: Aflevering 6 Venlo” (Delft 1999), p. 97 ;
Gebruikte websites:
Website Wikipedia, https://nl.wikipedia.org/wiki/Sint_Odili%C3%ABnberg (21-09-2016)
ENK Monasticon nummer:
ME-B001-021
VU Kloosterlijst nummer:
V09
Organisatietrefwoorden:
Toon op kaart Toon op kaart
 
 
 
 
 
Erfgoedstuk
Vestigingsplaats
Vestigingsplaats: Utrecht
Orde of congregatie:
Alexianen (Cellebroeders) (B001)
Plaatsnaam:
Utrecht
Provincie:
Utrecht
Parochie:
Utrecht-Buurkerk
Destijds gewest:
Nedersticht
Bisdom:
Utrecht
Stichting/eerste vermelding:
1439
Opheffing/laatste vermelding:
1591
Type:
Klooster, m
Geschiedenis:
De eerste vermelding van de cellebroeders in Utrecht dateert uit 1439. Hun klooster lag aan de tegenwoordige Nobeldwarsstraat met aan de Muntstraat en waarschijnlijk ook aan de Kromme Nieuwegracht een achteruitgang. De broeders hadden ook nog enkele huizen, die eveneens met de Muntstraat verbonden waren. Tot de taak van de broeders behoorden in hoofdzaak het verplegen van zieken, het regelen van uitvaarten en het verzorgen van de graven en grafkelders. De beloning, die zij hiervoor kregen, vormde samen met de gelden, die zij voor het zingen van zielmissen in hun eigen kapel of in de Buurkerk ontvingen, hoofdzakelijk hun inkomen. Toen in 1580 door de magistraat van Utrecht de uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst verboden werd, bleven de cellebroeders, die allen tot de hervorming waren overgegaan, hun werk doen, echter nu in dienst van het stadsbestuur. Ze bleven in hun klooster wonen, waarvan het hoofdgebouw evenwel ter beschikking gesteld werd aan de Waalse wevers, die aanvankelijk in het predikherenklooster onderdak gevonden hadden en later uit het karmelietenklooster verdreven werden. In 1591 werd het convent van de cellebroeders opgeheven en vervielen hun goederen aan de stad. Toen in 1624, de vier „cameren met erf", waar de broeders nog woonden, verkocht werden, kregen zij aan de oostelijke stadsmuur bij het pestgasthuis Leeuwenbergh twee woningen toegewezen. Doordat waarschijnlijk al bij de opheffing menige broeder de gemeenschap verlaten had, waren zij nog maar gering in aantal. In 1629 wordt van nog maar vier cellebroeders gesproken
Gebruikte literatuur:
Monasticon Batavum, deel II, p. 190; R. A. Hoogland, ‘De cellebroeders’ in “Jaarboek Oud-Utrecht 1974”, p. 180/181/189/190/191; A.J.  van der Weyde, 'Bijdrage tot de geschiedenis der pest te Utrecht' in “Nederlandsch Tijdschrift Geneeskunde”, 71 (1927), helft 1, nr. 23, p. 3128
ENK Monasticon nummer:
ME-B001-020
VU Kloosterlijst nummer:
U28
Organisatietrefwoorden:
Toon op kaart Toon op kaart
 
 
 
Pagina: 1
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS